stok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stok
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘tak, staaf’ voor het eerst aangetroffen in 1197 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord stok stokken
verkleinwoord stokje stokjes

Zelfstandig naamwoord

stok m

  1. langwerpig voorwerp om te stoten, slaan, aanraken, aangeven (van toon), steken, te likken of te prikken
  2. (spel) voorraad speelkaarten die na het rondgeven overblijven en waarvan men kan nemen of kopen
  3. een gedeelte van een stuk (effect, cheque) zonder het betalings- of ontvangstbewijs, souche, talon
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
stokken

stok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stokken
    • Ik stok. 
  2. gebiedende wijs van stokken
    • Stok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stokken
    • Stok je?