brandhout

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brand·hout
enkelvoud meervoud
naamwoord brandhout -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

brandhout o

  1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
    Het brandhout was bijna op, dus werd er een boom omgehakt.
  2. hout van een te slechte kwaliteit om er iets van te maken
    De bank was gemaakt van brandhout en stortte meteen in elkaar toen de jongen erop ging zitten.
Vertalingen