houtwol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

houtwol
Uitspraak
Woordafbreking
  • hout·wol
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord houtwol
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

houtwol v/m [1]

  1. (bouwkunde) materiaal gemaakt van fijne houtkrullen dat o.a. gebruikt wordt als verpakkings-, isolatie- en opvullingsmateriaal
    • - Kom, kom, Monsieur le secrétaire, zo ver is het niet van de Burchtstraat naar Doddendaal. Monsieur Bévèrninque is jonger dan ik. Hij hoeft nog niet verpakt in houtwol vervoerd te worden.'[2] 
    • - Voor de zzp'er nooit meer het gestuntel met die immense verhuisdoos op de fiets. Niet de solidaire blikken in de metro, waar iedereen te kijk staat naast zo'n doos, die om misverstanden of leugens te voorkomen met kerstballen is bedrukt. Straks zullen hun kinderen zich juichend op de doos storten en vliegt de houtwol door de kamer.[3]  
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Heijden, A.F.Th. van der De ochtendgave 2015 ISBN 978-90-234-5776-3 pagina 110
  3. Volkskrant 18 november 2013
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be