grenenhout

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

bakje van grenenhout
Uitspraak
Woordafbreking
  • gre·nen·hout
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord grenenhout
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

grenenhout o [1]

  1. hout van pinus-soorten zoals de grove den en de zilverspar
    • Eerst even terug naar de jaren vijftig, toen het verkopen van een doodskist voor kistfabrikanten nog relatief eenvoudig was. Zo’n kist was goedkoop (iepenhout), redelijk geprijsd (grenenhout) of best duur (massief eiken, mahonie), foto’s ervan stonden in een bescheiden catalogus: kisten in mobiele rouwkamers, over het podium was een donker baarkleed gedrapeerd. Precies zo zou die kist straks worden opgezet in de huiskamer, met de erbij gehuurde achtergrond van dichtgetrokken, zwarte gordijnen.[2] 
    • Directeur P. den Nijs van Wareco in Diemen, een van de adviesbureaus, schat dat honderdduizend woningen zijn gefundeerd met grenenhout.Hij baseert die schatting op zijn ervaringen in Haarlem en Gouda. Het onderzoek wordt in het najaar afgerond.Bacteriën van de pseudomonas-stam gedijen uitsluitend op grenenhout. Ze doen er veertig tot zeventig jaar over om grenenhouten palen onder de huizen weg te vreten. Het proces is niet te stoppen. [3]  
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Gretha Pama 29 maart 2017
  3. Volkskrant Weert Schenk 23 juni 1999