park

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • park
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord park parken
verkleinwoord parkje parkjes

Zelfstandig naamwoord

park o

  1. groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
    We hebben hier een prachtig park, het Umpstead State Park, waar ik graag ga wandelen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • park
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

park g

  1. park