park

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • park
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord park parken
verkleinwoord parkje parkjes

Zelfstandig naamwoord

park o

  1. groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
    • We hebben hier een prachtig park, het Umpstead State Park, waar ik graag ga wandelen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • park
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

park g

  1. park


Engels

Uitspraak
  • IPA: /paːk/ (GB)
  • IPA: /park/ (US)

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
park parks

park

  1. park
  2. een gebied of stadion waarin sporten worden beoefend

Werkwoord

vervoeging
onbepaalde wijs to park
he/she/it parks
verleden tijd parked
voltooid
deelwoord
parked
onvoltooid
deelwoord
parking
gebiedende wijs park

park

  1. parkeren