park

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • park
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord park parken
verkleinwoord parkje parkjes

Zelfstandig naamwoord

park o

  1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
    We hebben hier een prachtig park, het Umpstead State Park, waar ik graag ga wandelen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl