houtkapper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

houtkapper
Uitspraak
Woordafbreking
  • hout·kap·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord houtkapper houtkappers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

houtkapper m [1]

  1. (beroep) iemand die bomen velt met een bijl of zaag
    • Aan het einde van de vaart slaan we rechtsaf en wandelen Bartlehiem binnen. Geen mens te bekennen! De stilte wordt er slechts onderbroken door de motorzagen van de houtkappers die een populierenbosje hebben omgelegd. Noodzakelijk omdat de bomen werden bedreigd door houtrot. Straks groeien er essen, zwarte elsen en beuken voor in de plaats. [2] 
    • Greenpeace deed aangifte tegen de handelaar en de houtkapper bij de politie. Volgens een woordvoerster van de milieuorganisatie beloofde deze de zaak te onderzoeken. „Dat zou voor het eerst zijn dus de actie is een succes", aldus de zegsvrouw. [3] 
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Telegraaf JOHN HAGENS 19 jan. 2013 Terp van Wodan
  3. Reformatorisch Dagblad 09-12-2003 Greenpeace doet aangifte illegale houtkap