geld

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geld
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: ghelt
Germaans: *geldan (beloning, geld)
Indo-Europees: *gheldh- (betalen)
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: geld (Angelsaksisch: geld, ġield), Duits: Geld, Fries: jild, jeld
Oost: Gotisch: gild
enkelvoud meervoud
naamwoord geld gelden
verkleinwoord geldje geldjes

Zelfstandig naamwoord

geld o

  1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
    Hij ging uit eten, maar toen hij moest betalen kwam hij erachter dat hij geen geld bij zich had.
Synoniemen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • geld opzijzetten
  • voor hetzelfde geld
  • een smak geld

Alle waar naar hun geld zijn

  • als een product duurder is, is het meestal van betere kwaliteit

Eieren voor je geld kiezen.

  • met minder genoegen nemen dan men eerder wilde

Geld maakt niet gelukkig.

  • er is meer in het leven dan rijkdom

Geld verzoet de arbeid.

  • geld dat je verdient maakt het (vervelende) werk weer goed

Geld wat stom is, maakt recht wat krom is.

  • met geld kan men de ergste dingen goedmaken (ofwel: voor geld is alles te koop)

Goed geld naar kwaad geld gooien.

  • geld ergens insteken waarvan bekend is dat het niks oplevert

Het geld groeit niet op de rug.

  • geld is niet vanzelfsprekend, er moet hard voor gewerkt worden
Anagrammen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gelden

geld

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelden
    Ik geld.
  2. gebiedende wijs van gelden
    Geld!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelden
    Geld je?

Meer informatie


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

geld

  1. geld