sparen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spa·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sparen
spaarde
gespaard
zwak -d volledig

Werkwoord

sparen

  1. geld niet uitgeven
    • Ik ben aan het sparen voor een nieuwe motor. 
  2. iets verzamelen
    • Spaar jij postzegels? 
  3. ontzien, niet straffen of geweld aandoen
    • Bij die ramp bleef weinig gespaard. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Deens

Woordafbreking
  • spa·ren

Zelfstandig naamwoord

sparen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van spare