sparen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spa·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bewaren’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sparen
spaarde
gespaard
zwak -d volledig

Werkwoord

sparen [3]

  1. geld niet uitgeven
    • Ik ben aan het sparen voor een nieuwe motor. 
  2. iets verzamelen
    • Spaar jij postzegels? 
  3. ontzien, niet straffen of geweld aandoen
    • Bij die ramp bleef weinig gespaard. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De kool en de geit sparen
Een oplossing vinden waar beide partijen tevreden mee kunnen zijn
  • Je kan niet de kool en de geit sparen
je moet keuzes maken
  • Lang vasten is geen brood sparen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • spa·ren

Zelfstandig naamwoord

sparen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van spare