geldtas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geld·tas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geldtas geldtassen
verkleinwoord geldtasje geldtasjes

Zelfstandig naamwoord

geldtas v/m [1]

  1. een draagbare bewaarplaats voor geld
    • Om de milddadigheid nog meer te stimuleren wordt de collecte ingezameld in open schalen. „De ene kerkganger spoort zo de ander aan om goed te geven”, zegt een woordvoerder. „Maar”, zo laat Victoria Osteen, die ook preekt, weten, „God betaalt uw giften met veel rente terug. Als u over de bodem van uw portemonnee schraapt, dan mag u dat doen in vertrouwen dat uw geldtas binnenkort uitpuilt van de dollarbiljetten.” [2] 
    • Jordy V. (23) en Jacques Helmuth B. (23, uit Veurne) trokken op 8september op ‘consultatie' naar dokter Beernaert in Koekelare. Eén van hen had ‘pijn aan zijn pols'. Na de consultatie kwamen ze weer binnen om een ‘briefje voor de ziekenkas' te vragen. Terwijl de dokter het document invulde, graaide Jordy V. de geldtas van de dokter met 6.750euro erin weg. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen