tolgeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

de deltaroute met een aantal plaatsen waar men tolgeld moet betalen
Uitspraak
Woordafbreking
  • tol·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tolgeld tolgelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tolgeld o [1]

  1. geld wat een gebruiker op directe wijze moet betalen om een weg, brug, tunnel of pont te mogen gebruiken
    • De Ronde van Frankrijk heeft iets met Rotterdam, al is het maar een rekening van de Benelux-tunnel N.V. van 27 juli 1973. Vandaag precies 37 jaar geleden raasde het peloton vanuit Scheveningen naar Rotterdam voor de finish van de eerste ochtendetappe bij Sportpaleis Ahoy’, waar de karavaan dezer dagen opnieuw verzamelt voor de Tourstart van 2010. „Nota over het tolgeld, verschuldigd voor de motorvoertuigen behorende tot de Tour de France, voor het passeren van de Beneluxtunnel op zondag 1 juli 1973.” Amper vijf dagen na de Tour, ontvangt het Tourcomité in Rotterdam een rekening van in totaal 437,50 gulden voor de passage van de Beneluxtunnel. „Over te maken op giro 709 svp.” [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Maarten Scholten 1 juli 2010