luistergeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • luis·ter·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord luistergeld luistergelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

luistergeld o

  1. verplichte bijdrage die de bezitter van een radiotoestel moet betalen als vergoeding voor het kunnen ontvangen van radioprogramma's
    • 'Sinds de afschaffing van het kijk- en luistergeld in 2000 betalen we allemaal 1,1 procent aan inkomstenbelasting voor de publieke omroep. Ik heb laten uitrekenen dat dit veel te veel is', zegt Slagter. Volgens Slagter staat de 1,1 procent belasting inclusief reclame-inkomsten voor 1,1 miljard euro per jaar voor de publieke omroep. [1] 
    • 'De Nederlandse Publieke Omroep is voor zijn budget te veel afhankelijk van de overheid. Dat wordt pijnlijk duidelijk nu Hilversum in de hoek zit waar de klappen vallen,' vindt de NPO-baas. De afschaffing van het kijk- en luistergeld, een heffing voor het bezitten van een radio of televisie, noemt hij 'een historische fout'. [2] 
    • De Britse zender BBC schrapt duizend banen om een begrotingstekort van 150 miljoen pond (211 miljoen euro) te dichten. Het tekort is ontstaan omdat steeds meer huishoudens niet live tv kijken en daarom geen kijk- en luistergeld hoeven te betalen. [3] 
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen