weekgeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

uitbetaling van weekgeld aan een zwangere slavin
Uitspraak
Woordafbreking
  • week·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord weekgeld weekgelden
verkleinwoord weekgeldje weekgeldjes

Zelfstandig naamwoord

weekgeld o [1]

  1. het geld dat je per week kunt of mag besteden
    • Uiteraard moest het gezin het tijdelijk stellen met minder weekgeld, maar het was te doen. Vooral na de tips die ik hen meegaf.[2] 
    • Wanneer er ruimte is, probeer ik altijd te reserveren, maar is die ruimte er niet dan adviseer ik mijn cliënten altijd om van hun weekgeld te gaan reserveren. Al is het maar twee euro die je die week over houdt, probeer het opzij te leggen.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen