kasgeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kasgeld kasgelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kasgeld o [2]

  1. (boekhouding) contant geld; geld in de vorm van munten en biljetten
    • De lokale belegger in Japan deed ook niet echt mee. Er is ongelooflijk veel kasgeld in Japan (bijna de helft van de totale activa van particulieren zit in kas) en omdat de rente al jarenlang nul is, kunnen goede adviseurs met interessante alternatieven veel geld ophalen.[3] 
    • De agenten vertellen dat Shirley*, de eigenares van de zaak, heeft gemeld dat Amadi geld uit de kassa heeft gestolen. Twee klanten hebben elk een t-shirt van €19,95 gekocht en gepind, maar Amadi zou dat niet op de kassa hebben aangeslagen. Er is een kastekort van €43. Ze zou het kasgeld in haar eigen portemonnee hebben gestopt. Amadi is stomverbaasd.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. kasgeld op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Telegraaf ARNOUT VAN RIJN 16 feb. 2018
  4. de Telegraaf 05 aug. 2017