pasgeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pasgeld
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pasgeld o [1]

  1. kleingeld dat je terug krijgt als je niet gepast betaalt
    • Het andere cadeautje was een munt, met de kop van Che Guevara erop. Had ze gekocht van een jongetje in Havana die fluisterend zei dat het een schaarse herdenkingsmunt betrof. Hij vroeg drie dollar. Zij pingelde af tot één dollar, en voelde zich trots. De volgende dag ontdekte ze dat de munt gewoon pasgeld was, en dat die drie pesos die er op stond inderdaad drie pesos waard was, 24 cent ongeveer. [2] 
  2. geld dat je moet betalen voor het krijgen van een pas(poort)
  3. vergoeding die je moet betalen als je kleding past in een winkel maar er niets koopt
    • In de meetse kledingwinkels kan naar hartenlust gepast worden voordat je tot aanschaf overgaat. Klanten van de bruidsboetiek van ontwerpster Vera Wang in Shanghai krijgen hiervoor een rekening van 370 euro gepresenteerd. Voor dat bedrag krijg je anderhalf uur de tijd om de jezelf in een Wang-creatie te bewonderen. Op deze manier wil de ontwerpster plagiaat op haar beroemde bruidscreaties proberen te voorkopmen, zo meldt De Standaard.be. De drempel om te komen funshoppen wordt zo ook gelijk een stuk hoger.Wel goed, geld terugWie kijkt en ook koopt, krijgt het pasgeld terug. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen