mono

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·no
stellend
onverbogen mono
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

mono

  1. (elektronica) (van geluid) over één spoor of kanaal.
    • Het geluid was mono en van slechte kwaliteit. 
  2. bestaande uit één element, zaak
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Esperanto

  enkelvoud meervoud
nominatief   mono     monoj  
accusatief   monon     monojn  

Zelfstandig naamwoord

mono

  1. geld


Kituba

Persoonlijk voornaamwoord

mono

  1. ik


Spaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
mono monos

Zelfstandig naamwoord

mono m

  1. (dierkunde) mensaap
  2. overall