losgeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord losgeld losgelden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

losgeld o

  1. geld betaald voor iemands vrijlating
    • De bandieten eisten een groot losgeld voor de gijzelaars die zij overweldigd hadden. 
  2. (figuurlijk) goederen die betaald moeten worden voor iemands vrijlating
    • Verder eisen wij een losgeld voor de Koning van 200 kwasten en 500 verfpotten, bijeen te brengen door de inwoners van Perspektivum. [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 94
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be