reisgeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reis·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reisgeld reisgelden
verkleinwoord reisgeldje reisgeldjes

Zelfstandig naamwoord

reisgeld o [1]

  1. hoeveelheid geld die nodig is voor het maken van een reis
    • ,,Het is géén repatriëringsvlucht, daarvoor zal eerst de Stichting Garantiefonds Reisgelden de situatie als calamiteit moeten benoemen", zegt Kok. Het gaat om passagiers die al zouden terugvliegen.[2] 
  2. vergoeding die men krijgt voor reiskosten
    • De SP wil dat de overheid stopt met het vergoeden van vervoer van 'religieuze leerlingen'. Het geld hiervoor kan beter naar het vervoer van gehandicapte kinderen. Dat gaat SP-Kamerlid Jasper van Dijk maandag voorstellen tijdens een overleg over het onderwijs en Artikel 23 van de Grondwet. Van Dijk vindt het reisgeld niet meer van deze tijd. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia Gyurka Jansen 08-SEPTEMBER-2017
  3. Volkskrant 28 september 2014