rijksgeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijks·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijksgeld rijksgelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rijksgeld o [1]

  1. geld dat de landelijke overheid besteedt
    • Begin 2014 was er veel ophef over de faunaverbinding, die in 2012 werd aangelegd. Het werd landelijk nieuws. Want 144.000 euro rijksgeld was er gestoken in de verbinding tussen het Haagse Bos en Clingendael. En dat allemaal om te voorkomen dat de overstekende knaagdieren zouden worden doodgereden. Maar tot dan had nog geen enkele eekhoorn gebruik gemaakt van de brug. [2] 
    • In totaal is 15 miljoen euro beschikbaar gesteld voor plannen om het tracé Wijthmen-Nijverdal aan te pakken. Hiervan komt 5 miljoen euro van de Rijksoverheid en 10 miljoen euro van de provincie Overijssel. Het rijksgeld wordt uitsluitend ingezet voor verkeersveiligheidsmaatregelen. De provincie betaalt hier ook aan mee, maar investeert daarnaast in extra maatregelen om de bereikbaarheid en leefbaarheid te vergroten. [3] 
    • Zodoende gaan we binnenkort tijdens het Achterhoekdiner in Den Haag bij de landelijke politiek het signaal afgeven dat ze daar wel rekening moeten houden bij het toekennen van rijksgeld voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo, red.). Anders kunnen wij onze afspraken met de thuishulpen, hun organisaties, hun cliënten en de zorgverzekeraars niet waarmaken.” [4] 
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen