huishoudgeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·houd·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huishoudgeld huishoudgelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

huishoudgeld o

  1. (huishouden) (economie) geld dat nodig is voor het voeren van een huishouding (zoals het kopen van voedsel en schoonmaakmiddelen)
    • Ik was een jaar of zestien. In de slaapkamerkast stond een groen ijzeren geldkistje waarin mijn stiefmoeder het huishoudgeld bewaarde. Een vakje voor de honderdjes, daarnaast het vakje voor de briefjes van vijfentwintig en daarnaast de tientjes, de vijfjes en de rijksdaalders. Robbie stond bij de kast. Hij keek geschrokken op. In zijn hand hield hij een briefje van vijfentwintig. Zijn ogen schoten heen en weer. Ik zag hem denken.[1] 
  2. (economie) (verouderd) geld wat een huisvrouw krijgt van haar man om het huishouden mee te voeren
    • Ik spaarde wat van mijn huishoudgeld, maakte een afspraak en ging. Ik had er met niemand over gepraat, ook niet met je opa. Die psychiater was een heel aardige man. Hij vroeg of er iets was wat me zorgen baarde en begon over mijn huwelijk en de kinderen. [2]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Spaan, Henk Oude vrienden 2014 ISBN 978-90-254-4334-4 2015 pagina 119
  2. Mizee, Nicolien De halfbroer 2015 ISBN 978-90-388-0034-9 pagina 31