eregeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ere·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eregeld eregelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

eregeld o [1]

  1. geld dat hoort bij een prijs
    • Japin ontving een sculptuur van Jeroen Henneman. Ook kreeg hij een 'eregeld' van 7.500 euro. De Nederlandse Spoorwegen, hoofdsponsor van initiatiefnemer CPNB, voegde daar een 1ste klas jaarabonnement aan toe ter waarde van 5.349 euro. [2] 
  2. geld dat oudere schrijvers jaarlijks ontvangen van het Letterenfonds
    • Sinds 1992 werd door het fonds de regeling eregelden uitgevoerd waarbij ongeveer 25 oudere schrijvers en vertalers een jaarlijks eregeld ontvingen. Deze regeling is medio 2012 in opdracht van het Ministerie van OCW stopgezet; nieuwe toekenningen zijn niet meer mogelijk. Zij die reeds een eregeld kregen toegekend van het Nederlands Letterenfonds zullen dit ook in de toekomst blijven ontvangen. [3] 

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen