dopgeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dop·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dopgeld dopgelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dopgeld o

  1. (België) geld dat iemand ontvangt die werkloos is
    • Ik had toen voldoende verdiend om zelfstandige in bijberoep te worden. Ik vond dat een goed statuut en wilde het behouden nadat het stripfestival afgelopen was. Enige probleem: ik had geen hoofdberoep meer. Om het statuut te behouden, moest ik in hoofdberoep stempelaar worden. Ik heb toen ettelijke brieven geschreven om uit te leggen dat ik het statuut wilde, maar niet het dopgeld. Geen hond die dat begreep. [1] 
    • Haar man werkt in de glasindustrie, waar de toekomst niet rooskleurig is. Zelf is Claudine haar "dopgeld" kwijtgeraakt. "Na acht jaar doppen zonder te werken, verlies je je uitkering." Werken kan ze niet door haar slechte gezondheid. "Ik heb me als kind kapotgewerkt. Ik kan niet meer." [2] 
    • De overtreders werden betrapt op zwartwerk, het opgeven van een foute gezinssituatie om meer dopgeld te krijgen, of op het verbouwen van de eigen woning. In dat laatste geval is men dan ook niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt. [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De Standaard 14 oktober 2006 T. Hens Jan Eelen (36), regisseur, en Dirk Eelen (32), schilder
  2. De Standaard 16 oktober 2004 P. Lesaffer "Buitenkomen kost geld"
  3. De Standaard 17 september 2010 door bvb Kwart meer sancties tegen werklozen