kleedgeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kleed·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kleedgeld kleedgelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kleedgeld o [1]

  1. zakgeld waarvoor men kleren kan kopen
    • Je kunt niet vroeg genoeg beginnen met de financiële opvoeding, daar zijn deskundigen het over eens. Het geven van zakgeld, kleedgeld, een spaarpot en praten over de waarde van geld kan allemaal al vanaf de basisschool - wie een kind pas op zijn zestiende financieel gaat opvoeden is veel te laat.[2] 
  2. geld dat men ontvangt om zich van te kleden
    • Ze krijgt iedere maand kleedgeld, ik betaal haar telefoon, maar er zijn altijd weer andere, praktische dingetjes die ze nodig heeft: schriftjes, al die vriendinnen die jarig zijn. Hup, weer een tientje. Belt ze: ‘Mam, ik zie hele leuke schoenen die ik echt nodig heb. Wil je misschien € 50,- overmaken?’ Soms zeg ik: ‘Waarom vraag je het niet aan pappa? Maar pappa reageert gewoon niet op zo’n SMS.[3]  
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Alex van der Hulst 24 februari 2017
  3. NRC Annemiek Leclaire 21 oktober 2016