boetegeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·te·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boetegeld boetegelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boetegeld o

  1. geld ontvangen door het opleggen van een financiële straf
    • „In overleg met reizigersorganisaties heb ik besloten om het boetegeld rechtstreeks ten goede te laten komen aan de hsl-reiziger zelf”, aldus Dijksma in een interview met De Telegraaf.[1] 
  2. geldelijke vergoeding om een financieel verlies te compenseren
    • Om die gemiste inkomsten te compenseren, betaal je boeterente. De manier waarop die boete in rekening wordt gebracht, verschilt echter. Bij rentemiddeling wordt het boetegeld verspreid over de nieuw te kiezen rentevaste periode.[2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf A. Bakker 8 juli 2017
  2. de Telegraaf P. Boon 3 februari 2017