ziektegeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ziek·te·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ziektegeld ziektegelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ziektegeld o [1]

  1. uitkering die een zieke werknemer ontvangt die, omdat hij ziek is, geen arbeid kan verrichten
    • Honderden werknemers van de Drentse sociale werkplaats Alescon, die volgens vakbond FNV via een schijnconstructie aan de slag waren, komen met terugwerkende kracht alsnog in vaste dienst van het bedrijf. Ook zal Alescon nabetalingen doen voor zaken als een eindejaarsuitkering, ziektegeld, een vergoeding van de vakbondscontributie en het seniorenverlof.[2] 
    • Het ziektegeld wordt door de leden onderling betaald gedurende de periode dat de persoon ziek is. Na twee jaar stopt de uitkering. Blaauw wijst erop dat het netwerk bedoeld is voor ondernemers die elkaar in slechte tijden uit de brand helpen. „We zijn geen verzekeraar, vandaar dat de uitkering ook na twee jaar stopt.[3] 
    • Mensen staan op de loonlijst en ik kom nooit meer van ze af. Ze worden ziek en wij betalen twee jaar ziektegeld. Straks ook nog een derde WW-jaar.[4] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 17 jan. 2018
  3. de Telegraaf GABI OUWERKERK 20 sep. 2017
  4. de Telegraaf 24 jun. 2015