kamer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·mer
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vertrek’ voor het eerst aangetroffen in 1201 [1]
  • Afkomstig van het Middelnederlandse cāmere, uit Laatlatijn camera, ontleend aan Oudgriekse καμάρα (kamára) ‘huifwagen, gewelfde kamer’. [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kamer kamers
verkleinwoord kamertje kamertjes

Zelfstandig naamwoord

kamer v/m [3]

  1. een van de rest door muren afgescheiden deel van een huis met een eigen functie
     Dit alles zou ik geneigd zijn positief te beoordelen. Daar staat echter tegenover dat deze vaas met plastic bloemen reden geeft tot zorgen met betrekking tot de affiniteit die de nieuwe eigenaar heeft met onze tradities. Maar ik wil u niet met mijn bekommeringen vervelen. We zijn er. Dit is kamer 17, de suite die ik voor u op orde heb laten brengen.[4]
  2. (juridisch) onderdeel van een rechtsprekend orgaan dat over bepaalde zaken uitspraken doet
    • De meervoudige kamer bestaat uit drie rechters die gezamenlijk meer ingewikkelde zaken behandelen. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen