kamer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·mer
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelnederlandse cāmere, uit Laatlatijn camera, ontleend aan Oudgriekse καμάρα (kamára) ‘huifwagen, gewelfde kamer’.
enkelvoud meervoud
naamwoord kamer kamers
verkleinwoord kamertje kamertjes

Zelfstandig naamwoord

kamer v/m

  1. een van de rest door muren afgescheiden deel van een huis met een eigen functie
  2. een caviteit in bepaalde organen zoals het hart
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie