kamernummer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

kamer nummer 1-4 van oude HBS
Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·mer·num·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kamernummer kamernummers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kamernummer o

  1. het nummer van een (hotel)kamer
    • Kitty (46), die hetzelfde doet in Veghel, denkt dat de omgang met ouderen hier en daar beter kan. „Je hoort weleens door de gang roepen: ‘Kan iemand meneer Piet even op het toilet zetten.’ Of dat verzorgenden een kamernummer noemen in plaats van een naam. Hoe zou je het vinden als dat je eigen familie is?” [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. NRC Michiel Dekker 9 oktober 2016