badkamer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bad·ka·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord badkamer badkamers
verkleinwoord badkamertje badkamertjes

Zelfstandig naamwoord

badkamer v/m

  1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
    De badkamer werd opnieuw ingericht.
Vertalingen

Meer informatie