ruimte

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruim·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ruimte ruimten
ruimtes
verkleinwoord ruimtetje ruimtetjes

Zelfstandig naamwoord

ruimte v [2]

  1. beschikbare uitgestrektheid, mate waarin iets ruim is
    • Hij heeft er de ruimte. 
  2. vertrek, kamer
    • We kwamen in een ruimte die bedoeld was voor het houden van vergaderingen. 
  3. (natuurkunde) (astronomie) heelal, universum
    • De raket werd de ruimte ingeschoten. 
  4. mogelijkheid om af te wijken van een regel of afspraak, speling, vrijheidsgraad, marge
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: de openbare ruimte / de publieke ruimte
de ruimte die voor iedereen toegankelijk is
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal