ruimte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruim·te
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘plaats om zich te bewegen’ voor het eerst aangetroffen in 1564 [1]
  • Afgeleid van ruim met het achtervoegsel -te [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ruimte ruimten
ruimtes
verkleinwoord ruimtetje ruimtetjes

Zelfstandig naamwoord

ruimte v [3]

  1. beschikbare uitgestrektheid, mate waarin iets ruim is
    • Hij heeft er de ruimte. 
     Er is daar ruimte en groen, het is geen massale mensenmassa waarin we ons begeven. We zien wel wat er daar nog open is. En dit weekend is belangrijk voor ons, er worden al zo veel leuke dingen afgelast.[4]
  2. vertrek, kamer
    • We kwamen in een ruimte die bedoeld was voor het houden van vergaderingen. 
     De abt vond het spotternij om die heilige ruimte te vullen met gezang voor zulk een wereldse geestelijke.[5]
  3. (natuurkunde) (astronomie) heelal, universum
    • De raket werd de ruimte ingeschoten. 
  4. mogelijkheid om af te wijken van een regel of afspraak, speling, vrijheidsgraad, marge
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: de openbare ruimte / de publieke ruimte
de ruimte die voor iedereen toegankelijk is
  • Zich op ( of in) de ruimte houden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen