bovenkamer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ven·ka·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bovenkamer bovenkamers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bovenkamer v / m [2]

  1. (bouwkunde) kamer op een bovenverdieping
  2. (anatomie) (schertsend) hersenpan met inhoud
    • Er is iets mis in zijn bovenkamer 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen