rookkamer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

rookkamer
Uitspraak
Woordafbreking
  • rook·ka·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rookkamer rookkamers
verkleinwoord rookkamertje rookkamertjes

Zelfstandig naamwoord

rookkamer v/m [1]

  1. afgesloten ruimte voor het roken van vlees en vis
  2. kamer waarin personen mogen roken
    • De rookkamer van het restaurant was koud en ongezellig ingericht om het roken te ontmoedigen. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen