kamers
Uiterlijk
- ka·mers
de kamers mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kamer
- ▸ Ik was alleen nog maar geest, zwevend door de kamers.[1]
- ▸ 'Of wil je liever naar zo'n Franse film, waar mensen de hele tijd kamers in en uit lopen en elkaar diep in de ogen kijken?' vroeg hij.[1]
- ▸ Een grote bovengrondse catacombe, waarvan de kamers zich stuk voor stuk gereserveerd opstelden tegenover haar aanwezigheid, lange gangen die in koloniale stijl waren ingericht, donkere hardhouten kasten ontdaan van huiselijke spulletjes.[1]
- Het woord kamers staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- 1 2 3 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704