Kamerlid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • Ka·mer·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord Kamerlid Kamerleden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

Kamerlid o

  1. iemand die een zetel in een der kamers van de volksvertegenwoordiging bekleedt
    • Na dit schandaal traden een aantal ervaren Kamerleden af. 
    • Kamerlid Wybren van Haga van de VVD wist eind november de aandacht van bijna de gehele media op zich te vestigen met een voorstel geld vrij te maken voor geboortebeperking in Afrika, omdat dat ‘meer rendement oplevert dan investeren in honger of onderwijs’. [1] 
Hyperoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Volkskrant Hidde Boersma18 januari 2019 Bevolkingsgroei maakt een welvarend en groen Afrika mogelijk