trouwkamer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

trouwkamer in Hilversum
Uitspraak
Woordafbreking
  • trouw·ka·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trouwkamer trouwkamers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

trouwkamer v/m [1]

  1. de zaal in een gemeentehuis waarin huwelijken worden voltrokken
    • Op de dakkapellen boven de entree prijken de wapens van de dorpen die opgingen in Zaanstad, het hekwerk is gedecoreerd met tulpen, de klokkentoren versierd met 'trouwringen'en op het balkon van de trouwkamer zoenen de walvissen uit het wapen van Zaanstad elkaar.[2] 
    • Opening gerestaureerd stadshuis Rotterdam. Trouwen kan vanaf donderdag in de gerestaureerde trouwkamers van het stadhuis in Rotterdam. Het gebouw uit de jaren twintig van ontwerper Henri Evers heeft zijn oorspronkelijke uitstraling terug. De eerste fase van de restauratie van het stadhuis is nu klaar.[3] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Volkskrant
  3. Volkskrant 31 maart 2010