Naar inhoud springen

wachtkamer

Uit WikiWoordenboek
Een wachtkamer.
  • wacht·ka·mer
enkelvoud meervoud
naamwoord wachtkamer wachtkamers
verkleinwoord wachtkamertje wachtkamertjes

dewachtkamerv/m

  1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
    • De wachtkamer was propvol. 
     Ik zat in de wachtkamer bij de tandarts en scrolde al dromend over de Camino langs de foto's van de Aveyron, zag het winterse plaatje, voelde een oneindige vreugde en likete de foto.[1]
     Jaren later, voor ik opnieuw vertrok, dacht ik thuis terug aan dat huis als aan een plaatje uit een boek of tijdschrift dat je in de wachtkamer van een busstation of bij de dokter doorbladert.[2]
  2. hoeveelheid personen die zich in een wachtkamer bevinden
     Vertel verder over wat je familierecht noemt. Wordt er van mij ook verwacht dat ik me daarmee bezighoud?
    „Ja, absoluut, op maandag, neem ik aan. Je krijgt de helft van degenen die ik anders zou hebben gehad, allebei een halve wachtkamer.”
    [3]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  2. Amanda Peters
    “De bessenplukkers” (2023), Ambo Anthos, ISBN 9789026368202
  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “1968, De grote eeuw deel 7” (2017), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044633535
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

wachtkamer

  1. wachtkamer

wachtkamer

  1. wachtkamer