vertrek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·trek
Woordherkomst en -opbouw
Woordherkomst en -opbouw
1 enkelvoud meervoud
naamwoord vertrek vertrekken
verkleinwoord vertrekje vertrekjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord vertrek -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vertrek o

  1. een afgesloten deel van een woning
    Hij verliet het vertrek en begaf zich naar het balkon.
  2. de actie van het vertrekken of weggaan
    Zijn vertrek kwam nogal onaangekondigd.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vertrekken

vertrek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vertrekken
    Ik vertrek.
  2. gebiedende wijs van vertrekken
    Vertrek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vertrekken
    Vertrek je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl