woonkamer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • woon·ka·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woonkamer woonkamers
verkleinwoord woonkamertje woonkamertjes

Zelfstandig naamwoord

woonkamer v/m

  1. (bouwkunde), (wonen) een kamer ingericht om in te wonen
    • De woonkamer was op het noorden gelegen. 
     Er zaten geen bekende gezichten in de woonkamer dus liep ik richting de lokale brouwerij, waar altijd wel iemand te vinden was.[1]
     Er kon geen sprake van zijn dat ze haar kleine woonkamer op de benedenverdieping binnen konden gaan, laat staan de keuken, met opluchting stelde hij vast dat het symbolische theedrinken al een gepasseerd station was omdat ze direct naar de slaapkamer boven gingen.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Blauwe ster” (2016), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628265
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be