grauw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grauw
enkelvoud meervoud
naamwoord grauw grauwen
verkleinwoord grauwtje grauwtjes

Zelfstandig naamwoord

grauw

  1. m snauw
  2. o de grauwe kleur
  3. o gepeupel, plebs
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen grauw grauwer grauwst
verbogen grauwe grauwere grauwste

Bijvoeglijk naamwoord

grauw

  1. donkergrijs, kleurloos
    hij was de grauwe Hollandse luchten zat en vertrok naar het zonnige zuiden
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
grauwen

grauw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grauwen
    Ik grauw.
  2. gebiedende wijs van grauwen
    Grauw!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grauwen
    Grauw je?