Naar inhoud springen

reis

Uit WikiWoordenboek
  • reis
enkelvoud meervoud
naamwoord reis reizen
verkleinwoord reisje reisjes

dereisv/m

  1. grote, lange tocht of trip
    • Zij heeft een reis door Azië gemaakt. 
     weg bent?’ Grappig vond ik zijn opmerking over het motief van mijn reis: ‘Wat is het nut van je wandeling? Je bereikt en verdient er niks[4]
     Ik moest weer aan Cynth denken, aan onze lange reis samen, en ook aan onze stomme ruzie, en ik had het gevoel dat ik bijna moest huilen, dus spoorde ik Pamela aan om ook wat over zichzelf te vertellen.[5]
     Ze keek op; vanwege de reis had hij stoppeltjes in zijn gezicht.[5]
vervoeging van
reizen

reis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reizen
    • Ik reis. 
  2. gebiedende wijs van reizen
    • Reis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reizen
    • Reis je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]
  • reis
Naar frequentie 1376

reis

  1. gebiedende wijs van reise
  • reis

reis

  1. gebiedende wijs van reisa

reis

  1. gebiedende wijs van reise
enkelvoud meervoud
 reis 

reis m

  1. rijst