zakenreis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·ken·reis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zakenreis zakenreizen
verkleinwoord zakenreisje zakenreisjes

Zelfstandig naamwoord

zakenreis v/m

  1. een reis die bedoeld is om het zakendoen te bevorderen
    • Hij was vaak op zakenreis. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie