voetreis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voet·reis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voetreis voetreizen
verkleinwoord voetreisje voetreisjes

Zelfstandig naamwoord

voetreis v/m

  1. een reis die je te voet maakt
    • Het is nog altijd mijn grote wens om een voetreis naar Rome te maken. 
    • Een voetreis lijkt gratis maar is het niet want je hebt overnachtingen nodig onderweg. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.