reisdoel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reis·doel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reisdoel reisdoelen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

reisdoel o [1]

  1. de bestemming van een reis, plaats van bestemming
    • In Bulgarije kan een blind paard geen schade doen, dus daar gaan jongeren naartoe voor hun zuipvakanties. Vreemd genoeg blijkt het ook het favoriete reisdoel van 50Plus-aanhangers, zegt de vliegvakantieboer. Dat wordt een schok voor de jonge bierkratstapelaars, als opa en oma straks hun tentje opslaan op de zuipcamping.[2] 
    • Op de Koerdische zender K24 weet X. het mooi te vertellen: „We hadden net onze zoon Abdullah gekregen en toen zei mijn man: laten we op vakantie gaan, wat uitrusten. Hij zei niet dat we naar Syrië gingen. Hij dwong me om mee te gaan. Ze zetten me daar in een huis dat werd bewaakt door mannen met baarden en geweren.” Dat was een leugen. X. wist drommels goed van het reisdoel.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 09 mrt. 2017
  3. de Telegraaf SILVAN SCHOONHOVEN 06 jan. 2017