vliegreis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vlieg·reis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vliegreis vliegreizen
verkleinwoord vliegreisje vliegreisjes

Zelfstandig naamwoord

vliegreis v/m

  1. een reis die je maakt met een vliegtuig
    • Vroeger was een vliegreis alleen voor de rijken, die dan ook de jetset werden genoemd. 
    • Soms is een vliegreis nog goedkoper dan een treinreis. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.