vakantiereis
Uiterlijk
- va·kan·tie·reis
- samenstelling van vakantie en reis
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vakantiereis | vakantiereizen |
| verkleinwoord | vakantiereisje | vakantiereisjes |
- een reis die men maakt om op de vakantiebestemming te komen
- Met een gezin met kleine kinderen een vakantiereis maken op zwarte zaterdag is geen pleziertochtje.
- een reis die men maakt als vakantie
- Een meerdaagse fiestocht maken is de de fijnste vakantiereis die ik me kan voorstellen.
- Het woord vakantiereis staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.