trip

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trip
[1,2] enkelvoud meervoud
naamwoord trip trippen
verkleinwoord tripje tripjes
[3,4] enkelvoud meervoud
naamwoord trip trips
verkleinwoord tripje tripjes

Zelfstandig naamwoord

trip

  1. v/m (kleding), (middeleeuwen) een vorm van middeleeuws schoeisel bijv. tripklomp
  2. v/m (paardrijden) houten plankje voor onder de hoef van een paard
  3. m een korte reis, uitstapje, reisje, excursie, tochtje, toer
  4. m een ervaring geïnduceerd door hallucinogene middelen (tripmiddel)
    Hebben jullie ook dat wiet roken tijdens de trip echt wel je trip beïnvloedt?
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
trippen

trip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trippen
    Ik trip.
  2. gebiedende wijs van trippen
    Trip!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trippen
    Trip je?

Meer informatie