reissite

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reis·site
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reissite reissites
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

reissite v/m

  1. een website met informatie over reis- en vakantiebestemmingen
    • Ruim een derde van de Nederlandse toeristen verdiept zich totaal niet in ’prikken en pillen’ als ze een (verre) vliegreis gaan maken. Aanbevolen vaccinaties worden bijvoorbeeld ook voor landen als Turkije en Egypte en op de Balkan genegeerd. Dat blijkt uit een steekproef onder de bevolking van reissite VakantieDiscounter. [1] 
    • Sabine de Witte (31) heeft een relatie en blogt voor haar reissite YourAmbassadrice.com. Ze is een derde van het jaar onderweg. “Mijn werk bestaat uit het schrijven voor mijn website en voor verschillende opdrachtgevers in de reiswereld. Meestal gaat het om het delen van persoonlijke ervaringen of het bijwonen van een hotelopening." [2] 
    • Hollanders zijn beesten op de piste. We drinken het meeste, staan nummer 1 op de après-ski en hebben (na de Belgen) het vaakst seks op de wintersport, bij voorkeur met de skileraar. Dat blijkt uit een enquête van internationaal onderzoeksbureau Atomic Research die in opdracht van reissite Expedia meer dan 13.000 wintersporters interviewde. Vandaag worden de resultaten van het ’Snowboots-rapport’ gepresenteerd. [3] 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De Telegraaf PAUL ELDERING 07 mei 2018 Vliegtoerist negeert advies
  2. De Telegraaf 14 jan. 2018 Reisblogger Sabine: 'Ik moet vaak uitleggen dat het geen vakantie is’
  3. De Telegraaf PAUL ELDERING 23 jan. 2018 ’Hollanders beesten op de piste’