reiswinkel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reis·win·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reiswinkel reiswinkels
verkleinwoord reiswinkeltje reiswinkeltjes

Zelfstandig naamwoord

reiswinkel m

  1. reisbureau
    • Je kunt tegenwoordig vaak beter een goedkoper zelf een reis boeken via internet, dan dat je het doet met behulp van een reiswinkel. 

Gangbaarheid