reizen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: rijzen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rei·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reizen
reisde
gereisd
zwak -d volledig

Werkwoord

reizen

  1. onderweg zijn
    • Wij reizen' geregeld naar Canada. 
     Het Duitse reizen staat in het teken van de haast en de productiviteit: zo snel mogelijk van Hamburg naar München in een hard geveerde BMW, met een korte stop voor een vette hap in de Raststätte.[2]
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Op de boer gaan (lopen, reizen)
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

reizen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord reis

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. reizen op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • rei·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelhoogduitse werkwoord reizen, dat van het Oudhoogduitse werkwoord reizzen komt
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reizen
reizte
(hat) gereizt
zwak volledig niet-samengesteld

Werkwoord

reizen

  1. overgankelijk ergeren, pesten, plagen, prikkelen
  2. overgankelijk, (medisch) irriteren
  3. overgankelijk aanlokken, bekoren, bevallen, lokken
Synoniemen