treinreis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trein·reis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord treinreis treinreizen
verkleinwoord treinreisje treinreisjes

Zelfstandig naamwoord

treinreis v/m

  1. een reis die je maakt met een trein
    • Met een Interrailkaart kun je lange treinreizen maken door Europa. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.