reisgenoot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

In maart 1895 ondernam Fridtjof Nansen met een reisgenoot een gevaarlijke expeditie op ski's en met hondesleden om naar de Noordpool te komen.
Uitspraak
Woordafbreking
  • reis·ge·noot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reisgenoot reisgenoten
verkleinwoord reisgenootje reisgenootjes

Zelfstandig naamwoord

reisgenoot o

  1. een persoon waarmee je een reis gaat maken
    • Helaas waren de reisgenoten van het reisgezelschap geen aangenaam gezelschap. 
    • Dus nee, al twee maanden na je gouden medaille in Rio de Janeiro op het vliegtuig stappen voor een weekje Japan ter voorbereiding op iets wat over vier jaar pas gaat gebeuren is niet te vroeg. Dat is gewoon op tijd. Nou kwam het ook wel erg mooi uit dat zij en reisgenoot Kiran Badloe (22), groot windsurftalent, aan een wedstrijd op het olympische water konden meedoen. Het was een weekje voorproeven tussen twee jetlags in. [1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Frank Huiskamp 18 oktober 2016