bedrijf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·drijf
enkelvoud meervoud
naamwoord bedrijf bedrijven
verkleinwoord bedrijfje bedrijfjes

Zelfstandig naamwoord

bedrijf o

  1. (bedrijfskunde) organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
    De melkfabriek was een bedrijf dat het land voorzag van melkproducten en de melk van de boeren kocht.
  2. (economie) een economische eenheid, gericht op het maken van winst
    Het grote bedrijf maakte veel winst zodat de aandelenkoers omhoog ging.
  3. (juridisch) een zelfstandige rechtsvorm met winst oogmerk
    De notaris stelde de contracten op voor de oprichting van het nieuwe bedrijf.
  4. (techniek) het in werking zijn van iets
    Na vijf jaren van bouwen werd de nieuwe brug in bedrijf gesteld.
    Met een druk op de knop werd het nieuwe systeem in bedrijf gesteld.
  5. (toneel) een deel van een toneelstuk
    In het tweede bedrijf vertelde hij zijn verhaal.
Opmerkingen
  • In bet. 1 en 2. heeft bedrijf vooral een technische betekenis, terwijl bij onderneming de nadruk ligt op het economische aspect.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bedrijven

bedrijf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedrijven
    Ik bedrijf.
  2. gebiedende wijs van bedrijven
    Bedrijf!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedrijven
    Bedrijf je?

Meer informatie